De duif heette Pjotr, al wist hij dat zelf natuurlijk niet. Hij wist maar één ding heel zeker: hij moest naar huis. Aan zijn pootje zat een minuscuul kokertje met een briefje dat hij niet kon lezen, maar dat zwaarder woog dan zijn hele lijfje.
Boven de velden floot de wind hem om de oren. Twee keer dook hij weg voor een havik, één keer rustte hij hijgend op een tak. 'Niet stoppen,' leek zijn hartje te kloppen, 'niet stoppen, niet stoppen.' De torens van zijn til doemden in de verte op.
Met zijn laatste krachten liet Pjotr zich op het dak van het duivenhok zakken. Handen pakten hem voorzichtig op, knoopten het kokertje los, en ergens slaakte iemand een kreet van opluchting. Pjotr begreep er niets van. Hij wilde alleen nog water, en slapen.