In veel middeleeuwse steden hing er hoog in de toren een grote klok. Voordat er horloges bestonden, was die klok voor gewone mensen de enige manier om te weten hoe laat het was. De klokkenluider gaf het ritme van de dag aan: hij luidde wanneer de markt openging, wanneer de stadspoort dichtmoest en wanneer de werkdag was afgelopen.
Opvallend genoeg waren de uren vroeger niet overal even lang. In de zomer, als het langer licht was, werden de daguren langer gerekend dan in de winter. Een 'uur' betekende dus niet altijd zestig minuten, maar eerder 'een deel van de tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang'.
Pas toen steden mechanische torenklokken kregen met tandwielen, werden de uren overal even lang. Daardoor konden mensen voor het eerst echt afspreken om 'drie uur' bij de kerk te staan, en wisten ze allebei precies wat dat betekende.